Lagere straf voor Bredanaar (35) na fraude

DEN HAAG/BREDA – Een 35-jarige Bredanaar is vrijdag bij het Haagse gerechtshof ook in hoger beroep veroordeeld voor een forse belastingzwendel met kinderopvangtoeslag, maar hij kreeg wel een aanzienlijk lagere straf dan bij de rechtbank.

De drie jaar cel, waarvan één jaar voorwaardelijk, die de rechtbank had opgelegd, is nu omgezet naar één jaar cel, waarvan negen maanden voorwaardelijk. Daarnaast is wel een werkstraf van 240 uur en een boete van 75.000 euro opgelegd. Reden voor de lagere straf is dat het proces zich onwenselijk lang heeft voortgesleept, en omdat er is vrijgesproken op sommige onderdelen.

Subsidies
Een medeverdachte uit Gorinchem zou volgens justitie als eigenaar van diverse multiculturele gastouderbureaus vanaf begin 2007 in nog geen twee jaar jaar tijd miljoenen euro’s aan onterechte subsidies hebben binnengehengeld voor zijn cliënten. Een fors deel gebeurde samen met de Bredanaar en diens gastouderopvangbureau. De Bredanaar ging eind 2007 in zee met de man uit Gorinchem, die vrijdag dezelfde straf kreeg van het hof als de Bredanaar. Werkende ouders kunnen eventueel een toeslag van de belasting krijgen voor het inhuren van oppas voor hun kinderen, mits dat via een erkend gastouderbureau verloopt. Ook toen hun bureaus nog niet erkend waren, bewogen de twee voormalige verzekeringsadviseurs er honderden allochtone gezinnen toe om ten onrechte en vaak met terugwerkende kracht een aanvraag voor kinderopvangtoeslag te doen bij de Belastingdienst.

Documenten
Volgens justitie vervalsten de verdachten documenten en gaven ze sowieso veel te veel uren op voor hun clientèle, om vervolgens zelf grote sommen commissie in hun eigen zak te steken. Dat geld zou grotendeels zijn weggesluisd, cash zijn opgenomen of zijn witgewassen.  Een Pluk-ze procedure, waarbij het OM probeert de onrechtmatige winsten af te pakken van de verdachten, loopt nog bij de rechtbank. De Bredanaar heeft tegenwoordig weer een baan, vertelde hij het hof tijdens de behandeling van het hoger beroep op 17 april. Het Openbaar Ministerie eiste toen dezelfde straffen als de rechtbank eerder had opgelegd. Beide verdachten gingen in beroep omdat ze ontkenden opzettelijk iets verkeerds te hebben gedaan, maar het hof ziet dat anders.